Jeugd

 
Eens heb ik wandelend aan de hand van vader
een ooievaar ril door een wei zien gaan.
Wij kwamen uit de vroege mist vandaan
en snel kwam van de kim de zomer nader.

Vader stond stil, ik keek hem vragend aan.
Tussen het riet was even fel gesnater.
Zijn grote hand wees over lis en water:
als een gedachte bleef de vogel staan.

Toen hief hij zich onrustig uit het gras
en tussen vreugd en heimwee dreef hij heen,
een leegte latend in het jong gewas.

En daarna, zwijgend aan mijn vaders hand,
wist ik mij voor de eerste keer alleen.
Hoog vliegt de ooievaar over mijn land.

 
Jan van Bakel.
Dietsche Warande en Belfort, juni 1953.