Jan van Bakel.



Het laat seizoen

Vorige Entr'acte
Volgende Entr'acte
Terug naar Archief Entr'actes
Terug naar hoofdmenu.


Wie vond het vroeger niet een mooi gedicht toen hij als zestienjarige voor het eerst met het schone geheim van de poëzie te maken kreeg? Willem Kloos:

De boomen dorren in het laat seizoen,
En wachten roerloos den nabijen winter.
Wat is dat alles stil, doodstil ... ik vind er
Mijn eigen leven in, dat heen gaat spon.

Een zachte toon, een verstild, weemoedig hart, een lichte treurnis om het levenseinde, zij het op enige afstand nog. Maar dan:

Ach, 'k had zoo graag heel, héél veel willen doen,
Wat Verzen en wat Liefde, - want wie mint er
Te sterven zonder dees? Maar wie ook wint er
Ter wereld iets door klagen of door won?

Waarschijnlijk de slechtste strofe uit zijn hand. Dat het woordje, of beter het begrip, "nog" ontbreekt in de eerste regel is voor mij een ernstige stoornis, al kun je natuurlijk zeggen dat de gedachte niet specifiek te maken heeft met dit moment van treurig reflecteren. Het zou met enige moeite - teveel volgens mij - een allesbeheersende en permanente levensopvatting kunnen zijn. Maar afgezien daarvan: als dat nu zo gewichtig is, dan zou er in de volgende regel toch niet zoiets zwaks en onbeduidends moeten staan als Wat Verzen en wat Liefde. Zelfs de twee hoofdletters tillen de beide zaken hier niet uit de kleinburgerlijke trivialiteit. Het woordje "wat" zorgt daar van meet af aan voor. Je zou zeggen: als er waarheid schuilt in de vorige regel dan mag het hier niet zo met een sisser aflopen. En dan volgt er: want wie mint er te sterven zonder dees? Antwoord: hoezo?, niemand natuurlijk, noch met noch zonder dees. Maar heel, héél veel erger is dat de gedachte van de eerste regel van de strofe plots op de helft van de derde regel uit de thematiek wegvalt, waardoor de thematische wending van het sonnet achter dat vraagteken valt. Die hoort daar niet thuis.

Ik ga dan stil, tevreden en gedwee,
En neem geen ding uit al dat Leven meê
Dan dees gedachte, gonzende in mij om:

Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen:
De doode bloemen keeren niet weêrom,
Maar Ik zal heerlijk in mijn Vers herrijzen.

Na de mislukking van het octaaf kan het vanzelfsprekend in het sextet niet meer goed komen. Toegegeven moet, dat daar wel enkele boeiende gedachten tot uitdrukking willen komen. Ik bedoel die van het lieve Dood-zijn, iets wat bij mij althans na de lezing van de gedichten van Jotie T'Hooft niet meer uit de gedachten te branden is. Ook die van de doode bloemen, hoe moeilijk en gewrongen deze zich ook laten passen binnen het thema dat gezet is door de allereerste regel van het gedicht. Maar de doodsteek komt in de allerlaatste regel. Dat heeft in dit gedicht niks te doen. Het is een gedachte die op geen enkele wijze past binnen de toonzetting van het geheel, eenvoudig omdat zij die toon abrupt afbreekt en verwerpt. Zij maakt het gedicht onmogelijk. Het mag zo zijn dat zij op zichzelf voor Kloos waarheid bevat, maar zij is misplaatst en trouwens van mineure kwaliteit. Om de gedachten te bepalen: zij kan niet in de schaduw staan van die laatste regel van Achterberg:

de dichter van het vers, dat niet bedierf

Ik heb dit gedicht van Kloos, hoewel ik het sinds mijn jeugd van A tot Z blijvend in mijn hoofd paraat heb, nog eens opgeslagen toen ik er dezer dagen weer eens over piekerde, dat je naar gelang je ouder wordt hoe langer hoe meer begint te jakkeren om nog gauw allerlei te ondernemen en te voltooien. Een algemeen bekend verschijnsel en zo'n beetje het thema van Kloos. Je weet dat de beschikbare tijd afneemt en je moet dus voortmaken. Maar wat is nou de merkwaardige bijkomstigheid? Vroeger, toen je jong was, bestond de tijd uit zeeën. De eindeloze reeksen van weken en dagen van het einde van de vakantie tot het begin van de volgende waren niet te overzien. En de schoorvoetighe Tijdt vervloeide met een snelheid die nog het best te vergelijken was met de verplaatsing van de continentale schollen op aarde. En nu, nu de tijd opraakt, is de afstand van ochtend tot avond, van zondag tot zondag, van maand tot maand, van zomer tot zomer, en de snelheid waarmee die overbrugd wordt bijna verwaarloosbaar geworden. Het verschil tussen het één en het ander zit natuurlijk in ons hoofd. Maar waarom, als de evolutie altijd dingen produceert die nuttig zijn voor de soort, is het niet net andersom?

Jan van Bakel, 3 februari 2001.


janvanbakel.nl

Terug naar boven

Reactie? Bericht: jan.van.bakel@gmail.com.