Jan van Bakel.



Geloof het of niet

Vorige Entr'acte
Volgende Entr'acte
Terug naar Archief Entr'actes
Terug naar Hoofdmenu


Soms kom je mensen tegen die je pardoes vragen: geloof jij in reïncarnatie? En als je wat aarzelt met je antwoord: geloof jij dat er meer is? Geloof jij dat je later terugkomt? Geloof jij dat er een God is? Ik raak dan in een toestand die er het meest op lijkt dat je niet meer kunt praten. Het denkt wel door ergens achter je ogen, maar geen enkel woord dat zich daarbij als eerste naar voren dringt is bruikbaar voor dit moment. Er moet een ander zijn. Tenslotte heb ik iets gezegd als: denk jij dat er geen vragen zijn waarop je niet kunt antwoorden? Je kunt geen antwoord geven als een kwestie nog niet is beslist. Toen iemand mij eens vroeg hoe je nou kon bewijzen dat er niet oneindig veel tijd is vergaan vóór het moment waarop we leven, wist ik niets beters te zeggen als: dan zouden we nou nog niet op dit moment zijn. Dat leek me een vraag waarop een antwoord mogelijk was, omdat je eigen logica die zaak beslist. Maar reïncarnatie, God?

Ik denk dat het eigenlijk beter is je af te vragen waar zo'n vraag vandaan komt, waar die op berust, wat z'n legitimiteit is, hoe je erbij komt die vraag te stellen. Een vraag komt meestal voort uit de behoefte aan een bepaald antwoord. Het gaat er vaak niet om te weten wat de ander denkt, maar je hoopt dat zijn antwoord je gerust zal stellen omtrent het antwoord dat jij zelf geeft. Hou je van me? zeg je alleen tegen iemand van wie je "ja" wilt horen. Langs zulke paden kom je bij de gedachte dat het een verlangen naar onsterfelijkheid is dat die vragen opwerpt.

Het beste antwoord lijkt daarom te zijn: het verlangen naar onsterfelijkheid te analyseren, trachten te begrijpen en misschien wel onschadelijk te maken. Verlangen wij naar onsterfelijkheid? Wat zou onsterfelijkheid voor iets zijn dat wij ernaar kunnen verlangen? Is er reden voor dat verlangen? Zouden we ook zonder kunnen? Kunnen we niet evengoed leven zonder zoiets? Is godsdienst en godsdienstigheid een methode om dat verlangen voor eens en voor altijd onuitroeibaar te maken? Maken we onszelf daardoor niet voor eens en voor altijd de slaaf van dat verlangen? Zijn dat dus geen medicijnen die tot ongeneeslijkheid voeren?

Onsterfelijkheid moet iets zijn om ernaar te kunnen verlangen. Is het niks, dan bestaat dat verlangen niet. Het is dan zelfs onbestaanbaar. Zoals de dorst bewijst dat er water bestaat (Cornelis Verhoeven), zo zou het verlangen naar onsterfelijkheid bewijzen dat er een eeuwig leven is. Met reïncarnatie of anderszins. Bestaat er echt iets wat we onsterfelijkheid zouden kunnen noemen? Vraag je iemand naar de aard van de onsterfelijkheid waarin hij gelooft, dan komen er vaak de meest dwaze karakteriseringen. Ik bedoel niet de rijstepap met gouden lepels, maar de suggestie dat het leven dat we hebben op een of andere manier doorgaat. Als je vraagt of dat betekent dat de kwalen van de oude dag vereeuwigd en verhevigd zullen worden, dan is er afwijzing, maar tot een acceptable karakterisering komt het nooit. Moderne katholieken begrijpen dat ook. Ze kronkelen zich in vele richtingen en hebben intussen ook de hel al verworpen als één van de wijzen van voortbestaan. De theoloog zegt nu: de slechte mensen worden eenvoudig vernietigd (Schillenbeeckx). De conclusie moet zijn dat, bij de onmogelijkheid om de onsterfelijkheid te karakteriseren, de onsterfelijkheid als een ijdel iets moet worden beschouwd. Zodat er van geen verlangen naar onsterfelijkheid meer sprake kan zijn.

Wat bestaat is de dood en de doodsangst. Bestrijd je de doodsangst met succes, dan verdwijnt ook het verlangen naar onsterfelijkheid. Doodsangst bestrijden kun je het best aan de wijsbegeerte overlaten. Maar niet aan zulke die zich beschouwt als de moeder, de dochter of de dienstmaagd van de theologie.

Jan van Bakel, 1 juli 2002.
janvanbakel.nl

Reactie? Bericht: jan.van.bakel@gmail.com.

Terug naar boven